
Een late novemberavond in Leuven. Ter hoogte van de Kaboutermanstraat hebben we afgesproken met amateur-archeoloog Luk Versluys. De man van middelbare leeftijd doet wat geheimzinnig over een pak onder zijn arm, en spreekt met gedempte stem: "Ik heb het nogal voor hostas, en de Leuvense Kruidtuin bezit een fijne collectie van deze sierlijke planten, en ik had gedacht…” Hier bloost de amateur-archeoloog eventjes. "Enfin, toen ik mijn schopje redelijk diep in de grond gestoken had, klonk er iets…Wel, om een lang verhaal kort te maken, ik trof in de grond een terracotta kabouter aan, die opvallende overeenkomsten bleek te vertonen met een bekende Leuvenaar." En bij die ene bouter bleef het niet; uiteindelijk bleken zomaar liefst 100 dergelijke stenen kabouters in de tuin begraven te liggen. Nadat de plek door het stadspersoneel voor het publiek werd afgesloten, werden die tijdens de sluitingsuren allemaal bovengespit, en voor de veiligheid en met de nodige voorzorgen in verzekerde bewaring gesteld. Het is voorlopig nog onduidelijk waar en of ze überhaupt ergens in de originele opstelling aan het grote publiek getoond zullen worden. Versluys, gegeneerd en opgewonden tegelijk, wikkelt nu voor ons een tobouter uit een oud televisiedekentje. Warempel, de gelijkenis met de huidige burgervader is treffend!
Inmiddels hebben zowel de stedelijke dienst Archeologie als de universitaire faculteit Bodemschatten zich over de vondst gebogen, en hun besluit is formeel: ze betreuren weliswaar dat de waardevolle beeldjes niet in situ bewaard bleven, maar zijn het er roerend over eens dat het hier een zeer uitzonderlijke collectie stabouters (stadskabouters) betreft, en meer bepaald tobouters,een variant die nagenoeg uitsluitend in het Leuvense voorkomt (vandaar ook ‘tobouterland’). In het jargon: de nanus urbanus tabacus, wiens wieg waarschijnlijk in de buurt van Sint-Jakob moet hebben gestaan.
Waar komen ze vandaan?Over de betekenis van deze belangrijke bodemvondst bestaat er minder overeenstemming. Sommige deskundigen houden het erop dat zonder hulp van de tobouters de recente veranderingen in de stad gewoon onmogelijk zouden geweest zijn. Dit lijkt inderdaad een aannemelijke verklaring voor de grondige facelift die de Vlaams-Brabantse hoofdstad tijdens het voorbije decennium onderging. Anderen zien in het plotse opduiken van stabouters te Leuven net een gevólg van de stedelijke bouw- en transformatiewoede. Volgens hen werd hun natuurlijke habitat hierdoor namelijk danig verbeterd; dit zou het opnieuw zichtbaar vóórkomen van stabouters in het stadsbeeld bevorderen. Een kip en ei kwestie dus. Tevens stelt zich de vraag of er mogelijk in de nabije toekomst nog meer dergelijke vondsten te verwachten zijn.
Wat weten we wel?
Een eerste analyse leert dat de keramische figuurtjes onderling grote overeenkomsten vertonen, maar toch terug te voeren zijn op enkele verschillende, markante types. Zo herkennen we de goedgemutste oppersmurf, met zijn tricolore sjerp, de parmantige Louis XIV (‘Louvain, c’est moi’) met zijn elegante strikjes, Louis-Napoléon met zijn veldkijker ( voor de studenten aka Louis Kodak), Lowieke met zijn lievelingsboek (Il Principe van Niccolo Machiavelli) en Manneke-Louis, een Brussels neefje. En ten slotte, hoe kan het ook anders rond deze tijd van het jaar, is er de gemijterde seizoenarbeider Sintobaas, die steeds het beste met ons voorheeft.
Alle tobouters zijn nogal gedecideerd van natuur, en drukken zich het liefst uit in oneliners. Ook hun alomtegenwoordigheid is spreekwoordelijk
In een eerste reactie heeft het Nationale Bevrijdingsfront van de Tuinkabouters zijn solidariteit betuigd met de recent aangetroffen Leuvense stadskabouters, en eist het de onmiddellijke vrijlating van alle 100 tobouters. Persmededelingen van de smurfen, de hobbits, de lilliputters en de Mannen van het Jaar gaan minder ver, maar ook zij wijzen nadrukkelijk op de rechten van àlle stadsbewoners, ongeacht hun gestalte en materiële uitvoering. Ook de regionale afdelingen van de Europese Boskaboutervereniging (EBV) in Heverleebos en Meerdaalwoud laten van zich horen.
In andere kringen wordt dan weer gesproken over een heus terracotta terrorisme. Daar wordt gezegd dat ze het wel gehad hebben met al die tobouters.Het laatste woord is in deze duidelijk nog niet gesproken.
De 56-jarige (toen) Luk Versluys is in Leuven geen onbekende. Het is weliswaar de eerste maal dat hij met een archeologische vondst de media haalt, maar als voltijdse keramist is hij al 33 jaar actief te Leuven. Toevallig wordt zijn huis in het begin van de Maria-Theresiastraat dit jaar overigens precies 100 jaar oud. Door de verhuis naar het gloednieuwe stadskantoor naast het station wordt het stadsbestuur zowat zijn naaste buur. Een mooier welkomstgeschenk voor zijn nieuwe buren kon de man nauwelijks bedenken. Hoewel hij zijn bodemvondst uiteraard niet zelf kan houden, zou hij wel de toestemming gekregen hebben enkele exemplaren van het terracotta leger tentoon te stellen op het traject van de verhuizing, m.a.w. langs de Bondgenotenlaan, en ook in zijn eigen etalage. Een echte buitenkans voor wie nu al een glimp wil opvangen van deze, we kunnen het niet genoeg herhalen, absoluut unieke collectie!